Op welke leeftijd stoppen Nederlanders gemiddeld met werken?
De AOW-leeftijd staat in 2026 nog altijd op 67 jaar. Dat betekent dat je vanaf dat moment recht hebt op een AOW-uitkering vanuit de overheid. Toch blijft het daar niet bij, want vanaf 2028 gaat de pensioenleeftijd opnieuw stapsgewijs omhoog. De overheid heeft namelijk afgesproken dat de AOW-leeftijd meegroeit met de levensverwachting. Toch zit bijna niemand te wachten op werken tot zijn 67e of zelfs nog langer. En het interessante is: gemiddeld doen Nederlanders dat ook niet. Ondanks de officiële leeftijd stoppen veel werknemers eerder met werken.
De hoogte van de AOW-uitkering in Nederland
De AOW wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank en vormt het basispensioen voor iedere Nederlander. In 2026 ligt de netto AOW-uitkering voor een alleenstaande rond de € 1.550 per maand. Voor getrouwde of samenwonende AOW’ers gaat het om ongeveer € 1.075 netto per persoon per maand. Deze bedragen worden twee keer per jaar aangepast, omdat de AOW gekoppeld is aan het minimumloon.
Met die bedragen kom je rond, maar rijk word je er niet van. De AOW is bedoeld als basisvoorziening en niet als luxe eindstation. De meeste Nederlanders bouwen daarom via hun werkgever aanvullend pensioen op. Toch geldt ook daar: wie eerder stopt met werken, krijgt vaak te maken met een lagere maandelijkse uitkering. Dat verklaart mede waarom steeds meer mensen toch langer blijven doorwerken.
Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat de gemiddelde leeftijd waarop Nederlanders stoppen met werken inmiddels rond de 66 jaar ligt. Dat is dus nét onder de AOW-leeftijd van 67 jaar. Het verschil is daarmee nog maar ongeveer één jaar. Tien tot vijftien jaar geleden lag die gemiddelde uittreedleeftijd nog een stuk lager, rond de 61 tot 63 jaar.

Lees ook: Zit jij in deze sector? Dan gaat je pensioen flink omhoog
Werknemers stoppen nog steeds vóór hun 67e
Hoewel de overheid bepaalt wanneer je recht hebt op AOW, betekent dat niet dat je verplicht bent om tot je 67e te werken. Werknemers mogen eerder stoppen, maar moeten dan zelf de financiële gevolgen dragen. In de praktijk zien we dat veel Nederlanders hun pensioen nét iets eerder laten ingaan of gebruikmaken van tijdelijke regelingen via hun werkgever. De klassieke VUT-regeling zoals die vroeger bestond, is echter vrijwel verdwenen.
Wat daarvoor in de plaats is gekomen, is onder meer de zogeheten RVU-regeling, waarmee werkgevers werknemers tijdelijk kunnen helpen om eerder te stoppen. Daarnaast kiezen sommige mensen ervoor om hun aanvullend pensioen eerder te laten uitkeren, al levert dat maandelijks een lager bedrag op. Ook spaargeld, beleggingen of inkomsten uit vastgoed kunnen een rol spelen bij vervroegd stoppen. Maar dat is lang niet voor iedereen haalbaar.
Wat zijn de gevolgen van vervroegd met pensioen gaan?
Wie vóór de AOW-leeftijd stopt met werken, ontvangt nog geen AOW-uitkering. Dat betekent dat je een periode moet overbruggen zonder deze vaste inkomensbron. In die jaren ben je volledig afhankelijk van eigen vermogen, een vervroegd pensioen of een regeling via je werkgever. Zonder financiële buffer kan dat behoorlijk spannend worden.
Daar komt bij dat eerder ingaan van je pensioen vrijwel altijd resulteert in een lagere maandelijkse uitkering, en dat verschil blijft levenslang bestaan. Wie dus op zijn 64e stopt in plaats van 67, krijgt niet alleen drie jaar eerder geld, maar ook structureel minder per maand. Dat vraagt om een goede financiële planning en realistische verwachtingen. Eerder stoppen met werken is anno 2026 zeker mogelijk, maar het is geen vanzelfsprekendheid meer en al helemaal geen goedkope keuze.
Lees ook: Nieuw kabinet gaat bezuinigen op uitkeringen: wat ga jij ervan merken?